De legende van het Solse Gat

De schimmen van de monniken

De legende van het Solse Gat

Midden op de Veluwe- tussen Putten, Garderen en Drie - ligt het Solse gat, een grote kuil tussen de heuvels in het oude beukenbos. Daar stond eens een machtig klooster met zware torens. Het werd omgeven door een gracht en een statige laan leidde naar de poort.

Het was een verdorven klooster. De overste en alle monniken hadden hun ziel aan de duivel gegeven. Ze leidden een leven van weelde en overdaad. Midden in de nacht werd er een zwarte mis gelezen waar alle heksen, spoken en aardmannen uit de omgeving aan deelnamen. Men dronk wijn uit grote emmers en de hele nacht werden er overvloedige maaltijden opgediend. De duivel zorgde ervoor dat het eten nooit opraakte en hij maakte zelf de wijn. Er werd gedanst, gezongen, en vooral hardgrondig gevloekt tot in de vroege morgen.
Vele mensen uit de omgeving hadden 's nachts vanuit het klooster vreemde en angstaanjagende geluiden gehoord en iedereen zag dat de hele nacht de vensters van alle zalen verlicht waren.

Dat heeft geduurd, tot de storm in de kerstnacht van 1382. De dorpelingen bleven tijdens die storm bibberend van angst in hun huizen en hoorden midden in de nacht plotseling één verschrikkelijke donderslag. De volgende dag, vroeg in de ochtend, kwam een jongetje in paniek het dorp binnenrennen en vertelde dat het klooster was verdwenen en er op die plaats een angstaanjagende diepe kuil ontstaan was. De bomen er omheen lagen ontworteld op de aarde en sommigen staken met hun grote kruin tot diep in het gat. Alle bewoners wilden het wonder zien maar niemand dorst het bos in te gaan. ’s Middags hadden enkelen hun angst overwonnen en gingen schoorvoetend kijken. Men vond nog enkele veldkeien van de statige laan maar dat was alles wat er van het klooster over was gebleven.
De aarde had zich weer gesloten en alleen een ondiepe kuil bleef zichtbaar…..

Sinds die tijd komt er ‘s nachts om klokslag twaalf uur uit de diepte van het Solse gat een vreemd geluid. De klokken van het weggezonken klooster beginnen onregelmatig en schor te luiden, alsof ze gebarsten zijn. Eerst zacht, maar dan steeds harder en angstiger. Dan komen uit het duister van de brede laan de schimmen van de monniken. Al klagend zweven ze in een lange sombere rij. Langzaam en gebogen gaan ze rondom het gat, waaruit een blauwe gloed opstijgt. Dan zweven ze allen rusteloos uit elkaar, om opnieuw uit de donkere schaduw van de bomen in een lange rij langzaam naar voren te treden. Dit gaat door tot aan het eerste daglicht, dan vluchten ze plotseling zachtjes jammerend weg in het diepste duister van de donkere kuil.

Zodra het licht is lijkt het alsof er niets is voorgevallen. Alles is er rustig en je zou er haast aan twijfelen dat even tevoren er schimmen rondwaardden die verdwenen in het sombere water midden in de kuil van het Solse gat.