Maart

Parende padden

MAART, Lentemaand

In maart kan het nog flink vriezen maar zonnige dagen met temperaturen boven de 20 graden komen ook voor.
Op hoofdhoogte kan het koud aanvoelen terwijl het aan de grond 6 graden warmer kan zijn.
Voor rode bosmieren kan het warm genoeg zijn om een zonnebad te nemen.
Er is dan een grote koek van mieren te zien boven op het nest. Ogenschijnlijk krioelt het allemaal door elkaar. Toch zit er een systeem in. De mieren die door de zon zijn opgewarmd kruipen diep het nest in om hun warmte af te geven. De afgkoelde mieren gaan weer naar buiten om warmte op te nemen. Zo is het een kringloop van warmte opnemen en afgeven.

Veel bomen en struiken lopen uit. Een groenige waas komt over de bomen wat in een lorkenbos (lariks) goed te zien is.
In de bossen en velden bloeien al veel planten en struiken zoals akkerhoornbloem, bosanemoon, boterbloem, brem, dotter, fluitenkruid, speenkruid, hondsdraf, look-zonder-look, maarts viooltje, pinksterbloem, sleedoorn, sleutelbloem, meidoorn, vogelkers en de witte dovenetel.
Ook bloeien er al bomen zoals de berk.

De oudere herten hebben in februari hun geweien afgeworpen, de jongere doen dat veelal in maart. De kans om zo'n geweistang te vinden is niet groot. De meeste herten werpen af in de voor mensen gesloten rustgebieden. Jammer genoeg worden elk jaar veel herten verstoord door stangenzoekers die de verboden terreinen toch in gaan.

De eerste moeflonlammeren kunnen nu worden waargenomen.

Voor ransuilen, houtduiven, merels en kievitten is de “legtijd” begonnen. Zij nestelen en bebroeden later in maart hun eieren.
Het eerste kivietsei wordt meestal in de eerste helft van maart gevonden.
Veel vogels komen terug uit hun winterverblijven.
De boerenzwaluw, boompieper, tjiftjaf, fitis, gekraagde roodstaart, graspieper, huiszwaluw, rietzanger en roodborsttapuit zijn weer te zien en te horen.

De gaai zie je regelmatig in de bosbodem wroeten. Hij haalt de eikels op die hij in de herfst met geweld van de takken heeft gerukt en in de bodem heeft verstopt.
De gaai heeft waarschijnlijk een fantastisch geheugen want hij weet de eikels feilloos terug te vinden. Veel eikels zijn al uitgelopen. Een groen plantje steekt al boven de grond uit. Zo is het geen kunst om ze terug te vinden. Als de gaai zo’n uitgelopen eikel vindt haalt hij hem voorzichtig weg zonder het piepjonge eikje te beschadigen. Zijn nageslacht zal van deze zorgzaamheid profiteren.

De winterkoning is ook al druk met het maken van nesten. Als je zo’n nest vind is dat lang niet altijd het nest waarin het vrouwtje de eitjes gaat leggen. Hij bouwt maar raak, nest na nest. Slaapnesten, speelnesten en de uiteindelijke legnesten. Het mannetje bouwt en het vrouwtje kiest. Zodra de eitjes zijn gelegd mag het mannetje in één van zijn andere bouwsels slapen!

De padden leggen hun eerste eieren evenals de groene en de bruine kikker.
Ook worden de eerste ringslangen na een lange winterslaap weer waargenomen.

Vele vlinders die als rups of eitje hebben overwinterd zoals bont zandoogje, boomblauwtje, groot- en klein koolwitje en oranjetipje laten zich ook weer zien. Wie heel veel geluk heeft kan de eerste koninginnepage ontmoeten.

Verreweg de meeste libellen zijn nog niet te zien. Als enige in zijn soort overwintert de bruine winterjuffer als imago (volgroeide libelle) en niet als larve. Er zijn al waarnemingen van de bruine winterjuffer vanaf half februari.
De vuurjuffer is de eerste libelle die je kunt zien vliegen. Bij mooi zonnig weer is hij al vanaf half maart in het luchtruim te zien.

Maart is een maand waarin je de lente verschijnselen al overvloedig kunt waarnemen.
Gelukkig is de mens die de kunst verstaat om het te zien!